Over de grenzen van een redelijke uitleg

do-not-crossHet komt geregeld voor dat een contract dan wel een term of zinsnede daarvan voor meerderlei uitleg vatbaar is. Dit heeft alles te maken met de vaagheid of meerduidigheid die nu eenmaal intrinsiek met taal en taalgebruik verbonden is. De beroemde Nederlandse taalkundige De Vooys merkt in zijn Verzamelde Taalkundige Opstellen (1925) op:

“Een taal, waarin telkens één woord diende ter aanduiding van een scherp omlijnd en dus duidelik omschrijfbaar begrip, zou de oppervlakkige beschouwer een ideaal kunnen toeschijnen, maar bij nader inzien plaatst hij zich daarmee buiten de maatschappelike werkelikheid. Door talrijkheid van woorden zou zulk een taal buitengewoon onprakties worden, maar bovendien heeft de algemene taal meestal vrij vage komplexen van voorstellingen aan te duiden, die Erdmann ‘Popularbegriffe’ noemt. In plaats van scherpe omgrenzing hebben ze een kern met vervloeiende rand. Wie een definitie tracht te geven van tafel of van nacht kan zich daarvan overtuigen. De polysemie (‘Vieldeutigkeit’) is tegelijk een gebrek en een deugd (…).”

Ook de Engelsen kennen het fenomeen van de meerduidigheid van taal. In de zaak Rainy Sky SA and others v Kookmin Bank [2011] UKSC 50 liet Lord Clarke zich er als volgt over uit:

“The language used by the parties will often have more than one potential meaning. I would accept the submission made on behalf of the appellants that the exercise of construction is essentially one unitary exercise in which the court must consider the language used and ascertain what a reasonable person, that is a person who has all the background knowledge which would reasonably have been available to the parties in the situation in which they were at the time of the contract, would have understood the parties to have meant. In doing so, the court must have regard to all the relevant surrounding circumstances. If there are two possible constructions, the court is entitled to prefer the construction which is consistent with business common sense and to reject the other.”

Een recente Engelse uitspraak – Arnold v Britton & Ors [2015] UKSC 36 – laat echter zien dat het in Rainy Sky SA and others v Kookmin Bank gebruikte gezichtspunt van de “business common sense” door rechters niet mag worden aangewend om de voorwaarden van een door hen onredelijk bevonden contract(sbeding) (heimelijk) in redelijker termen te herschrijven. Als de tekst van het overeengekomene – in zijn context bezien – duidelijk is, bestaat geen reden om daarvan af te wijken, ook niet als de deal voor een der partijen toevallig slecht heeft uitgepakt:

“The mere fact that a contractual arrangement, if interpreted according to its natural language, has worked out badly, or even disastrously, for one of the parties is not a reason for departing from the natural language.”

Anders gezegd; er is een grens aan wat de rechter met (redelijke en contextuele) uitleg kan bereiken. Men kan nu eenmaal een heldere, maar onredelijk uitwerkende afspraak niet omtoveren in een redelijker afspraak, als de formulering daarvan en de begeleidende omstandigheden daarvoor geen ruimte laten. Deze problematiek is treffend onder woorden gebracht door W. Snijders, oud-Regeringscommissaris voor het NBW. Hij schrijft (WPNR 2007(6693)) over de door Schoordijk bepleite zogeheten normatieve uitleg van rechtshandelingen:

“Mijn eigen mening, toen en nu, valt samen met die van Wiarda. Zoveel mogelijk dient een redelijk resultaat te worden bereikt door uitleg, wat ertoe dwingt de in aanmerking komende regels en gezichtspunten “ten einde te denken” in het licht van de omstandigheden van het geval. Maar er zijn gevallen dat alles onder uitleg brengen contraproductief wordt. Voor de één komt het moment dat een bepaalde uitleg, hoeveel weerstand deze ook oproept, onontkoombaar lijkt, nu eenmaal eerder dan voor de ander. Dat moment zal ongetwijfeld voor veel juristen eerder komen dan voor Schoordijk. Maar indien het resultaat in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is, moet die onaanvaardbaarheid de doorslag geven, ook voor degene die ervoor terugschrikt dit nog als uitleg te zien. De beperkende werking is hier een instrument om tot hetzelfde resultaat te komen als Schoordijk rechtstreeks hoopt te bereiken.”

De beperkende werking waar Snijders op doelt is voor contracten verankerd in art. 6:248 lid 2 BW: een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze sinds 1992 in de wet verankerde functie van redelijkheid en billijkheid bewijst blijkens Snijders’ betoog vooral haar nut en toegevoegde waarde in gevallen waar het resultaat van de uitlegexercitie hoogst onbevredigend is, maar de rechter op de grenzen van wat uitleg vermag is gestuit. In zulke gevallen wordt de Nederlandse rechter niet geprest om met allerhande (mogelijk minder geloofwaardige) uitlegcapriolen naar een redelijk resultaat toe te werken, maar schiet het ongeschreven objectieve recht hem te hulp en beperkt dit het contractueel overeengekomene van rechtswege. Deze elegante oplossing houdt niet alleen de uitleggende rechter in toom, maar tevens partijen. Die dienen er immers steeds op bedacht te zijn dat het objectieve recht in hun partij-afspraak kan en zal ingrijpen als zij bij het formuleren van hun partij-afspraak de grenzen van het redelijke te buiten zijn gegaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *