Monthly Archives: juni 2016

All is fair in love and war…

all_is_fair_in_love_and_war_by_quiteunique-d3k88caIn ons civiele recht is trouw aan het gegeven woord een kardinaal goed: pacta sunt servanda. Deze gehoudenheid om het gegeven woord gestand te doen vloeit voort uit de gedachte dat van het individu, dat in vrijheid zijn wilsverklaring strekkende tot gebondenheid heeft afgelegd, mag worden geëist dat het zich verantwoordelijk weet voor zijn handelwijze, en gebondenheid aan het overeengekomene aanvaardt: een man een man, een woord een woord.  Deze gedachte is echter minder vanzelfsprekend, indien in redelijkheid niet kan worden gezegd dat iemand in vrijheid zijn wilsverklaring heeft afgelegd, bijvoorbeeld omdat iemand onder bedreiging van een vuurwapen zijn handtekening onder een contract zet of omdat iemand tot contracteren wordt bewogen als gevolg van een bedrieglijke mededeling omtrent de eigenschappen van de zaak die hij voornemens is aan te schaffen. In zulke gevallen wordt gezegd dat een contract of rechtshandeling tot stand komt onder invloed van een wilsgebrek. Algemeen wordt aanvaard, dat indien de wil van één der handelende partijen gebrekkig is gevormd, dit een reden kan geven tot aantasting (vernietiging) van het gesloten contract.

Het denkelijk meest regelmatig voorkomende wilsgebrek betreft de dwaling (art. 6:228 BW), gevolgd door bedrog (art. 3:44 lid 3 BW). Een tweetal wilsgebreken dat in de rechtspraak minder prominent is vertegenwoordigd, is dat van bedreiging (art. 3:44 lid 2 BW) en misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW). Kenmerkend verschil tussen de rechtsfiguur van bedreiging enerzijds en misbruik van omstandigheden anderzijds is, aldus Hijma (GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 2.8.3.2), dat het bij bedreiging de wederpartij (of een derde) is die de dreiging in het leven roept, terwijl bij de laatstgenoemde figuur misbruik wordt gemaakt van een bestaande dreigende situatie: “Bij bedreiging wordt een pressie geschapen, bij misbruik van dwangpositie wordt een pressie benut.”  In beide gevallen is sprake van een wilsgebrek, onder invloed waarvan “de wil van de handelende (is) geleid in een richting, waarin hij anders niet gegaan zou zijn.” (Van der Linden, GS Vermogensrecht art. 3:44 BW, aant. 4.1.3).

Betreurenswaardig is dat ook in affectieve relaties nog wel eens van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden sprake lijkt te zijn, vooral als het gaat om het opmaken van echtscheidingsconvenanten en huwelijkse voorwaarden. Een tamelijk ontluisterend inkijkje in een door “de man” gevolgde strategie van “doordrukken” op dit punt biedt een arrest van Hof Den Bosch van 11 april 2013, JIN 2013/90:

“Hiervoor ziet het hof ook een sterke aanwijzing in de omstandigheid dat het initiatief bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden steeds is uitgegaan van de man. De man heeft, blijkens zijn eigen verklaring, (de) notaris (…) benaderd; het eerste gesprek alleen met de notaris gevoerd dus zonder de vrouw; nadien ook alleen contacten onderhouden met de notaris (zoals blijkt uit de e-mail-correspondentie overgelegd als prod. 1 bij het verweerschrift tevens incidenteel appel; uit welke correspondentie, in het bijzonder uit de e-mail van de man aan de notaris d.d. 15 november 2006, bovendien naar voren lijkt te komen dat de man de notaris zag als behartiger van vooral zijn belangen); en de verschillende concepten voor de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw voorgelegd, (naar zijn zeggen na overleg met haar) zelf aangepast en de aldus gewijzigde concepten ook zelf gemaild aan de notaris. Voorts acht het hof in dit verband tekenend de omstandigheid dat de man bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden zichzelf een dusdanig dwingende rol heeft toegekend dat hij daarover heeft verklaard dat de vrouw bij hem geen bezwaar heeft “aangetekend” tegen de huwelijkse voorwaarden, noch ter zake bij hem “aan de bel heeft getrokken” of bij hem heeft “aangegeven dat zij (…) wilde stoppen met het proces van de huwelijkse voorwaarden”. Hoe dan ook volgt uit dit beweerde zwijgen van de vrouw geenszins dat gezegd kan worden dat haar wil heeft berust op een werkelijk en volwaardig proces van vrije wilsvorming. “

Ergo: agressief de eigen zin doordrukken, gebruik maken van de emotionele afhankelijkheid van de partner en bij dat alles stelselmatig informatie en kennis achterhouden die de partner voor de eigen besluitvorming nodig heeft, kunnen het nodige bijdragen tot het oordeel dat de betreffende partner op ontoelaatbare wijze is belemmerd in diens/haar proces van vrije wilsvorming. Dit is niet vreemd: in een huwelijk passen bij uitstek solidariteit en wederzijdse ondersteuning tussen de partners (zie art. 1:81 BW: “Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.”). In HR 2 april 1982, NJ 1982/374 (m.nt. EAAL) repte de Hoge Raad van een “volledige, tot lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap”, die het kenmerk is van een normaal huwelijk. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat thans niet meer zou gelden dat echtelieden in een dergelijke levensgemeenschap zijn gehouden met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening te houden; zie in deze zin ook uitdrukkelijk Hof Amsterdam 22 december 2012, JPF 2010/76. In een dergelijke op onderlinge verbondenheid rustende levensgemeenschap is voor bruut egocentrisme en het klakkeloos negeren van de belangen van de ander geen plaats. Temeer daar de partner er, mede gelet op het bepaalde in art. 1:81 BW, op mag rekenen van dergelijk gedrag verschoond te blijven, kan het (repeterend) zich voordoen van zulk gedrag een indicatie vormen voor een wezenlijk autonomie-tekort bij de “onderliggende” partner en dus in een gegeven geval bijdragen aan de overtuiging dat sprake is geweest van een verstoorde wilsvorming bij een door de betreffende partner staande huwelijk verrichte rechtshandeling.