Monthly Archives: oktober 2017

Onderhandelen in het woud der verwachting

Mijn eerste blogbericht op www.haviltexen.nl had als titel “Reasonable Expectations of Honest Men”. Deze aan Lord Steyn ontleende frase geeft treffend weer waar het in het contractenrecht om dra31925ait: de gerechtvaardigde verwachtingen en belangen van contractspartijen. Gisteren wees de Hoge Raad een arrest (HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2566), waarin deze gerechtvaardigde verwachtingen en belangen opnieuw centraal stonden. Het verhaal van de casus is simpel. De Stichting Hermitage aan de Amstel (“de Stichting”) exploiteert de Nederlandse vestiging van het beroemde museum de ‘Hermitage’. De horecagedeelten in het imposante museumgebouw aan de Amstel worden op grond van een samenwerkingsovereenkomst met genoemde stichting uitgebaat door Hermitage Café Amsterdam B.V. (“Hermitage Café”). Die overeenkomst bepaalt dat partijen de samenwerking slechts in bepaalde gevallen tussentijds kunnen opzeggen, onder meer indien een ernstig geschil over de bedrijfsvoering door Hermitage Café ontstaat, dat niet met behulp van een mediator kan worden opgelost.

Omdat de resultaten van avondopenstelling van het tot de horecagedeelten behorende restaurant “Neva” tegenvallen, openen beide partijen vanaf eind 2012 overleg met elkaar over aanpassing van de onderlinge afspraken. Vanaf mei 2013 blijft het restaurant dicht. De Stichting is daarmee akkoord gegaan, op voorwaarde dat partijen overeenstemming over nieuwe afspraken zullen bereiken.

In de maanden die volgen worden over en weer diverse voorstellen gedaan; partijen lijken elkaar op zeker moment te kunnen vinden in een verhoging van de door Hermitage Café verschuldigde vaste jaarlijkse vergoeding (van € 150.000 naar € 175.000) en tot een aanpassing van de variabele vergoeding (verlaging van zowel de bij de variabele vergoeding horende omzetgrens (van € 2.375.000 naar € 1.600.000) als het percentage (van 8% naar 6%). Uiteindelijk wordt toch geen overeenstemming bereikt over definitieve aanpassing van de afspraken; de onderhandelingen lopen spaak op een in een laat stadium van de onderhandelingen gedaan voorstel van de Stichting, dat erop neerkomt dat Hermitage Café in de avonduren bovenop genoemde 6% een additionele vergoeding van 20% van de omzet aan de Stichting zal moeten afdragen. Aangezien daarmee de exploitatie van het restaurant gedurende de avonduren per definitie niet rendabel zal kunnen zijn, gaat Hermitage Café met deze te elfder ure ter tafel gebrachte extra eis van de Stichting niet akkoord en geeft zij aan de exploitatie van het restaurant in de avonduren te zullen staken. Wel geeft zij aan akkoord te kunnen gaan met de tussen partijen besproken aanpassing van de vaste en variabele vergoedingen. De Stichting is not amused over de opstelling van Hermitage Café en sommeert laatstgenoemde met een beroep op de oorspronkelijke overeenkomst wederom tot openstelling van het restaurant tijdens de avonduren. Die sommatie wordt door Hermitage Café niet opgevolgd; het restaurant blijft dicht.

In de rechtszaak die volgt, geeft de kantonrechter de Stichting in eerste instantie gelijk. Het Hof oordeelt het hernieuwde beroep van de Stichting op de oorspronkelijke overeenkomst echter onaanvaardbaar in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). De Hoge Raad gaat daar in mee en overweegt (kort samengevat) dat de Stichting niet zomaar kon terugvallen op de in het oorspronkelijke contract opgenomen verplichting van Hermitage Café om het restaurant in de avonduren geopend te houden. De redenering die de Hoge Raad hanteert, lijkt (grofweg) de volgende te zijn: (i) de tussen partijen besproken aanpassing van de vaste en variabele vergoedingen kwam al in hoge mate tegemoet aan de belangen van beide partijen; (ii) het nieuwe voorstel van de Stichting had als kenbaar gevolg dat de belangen van Hermitage Café wezenlijk zouden worden aangetast en was niet redelijk; (iii) mede gezien de in de overeenkomst neergelegde verplichting tot samenwerken en de in de oorspronkelijke overeenkomst voorziene verplichte inschakeling van een mediator in vergelijkbare gevallen had de Stichting, in plaats van een starre “pacta sunt servanda” benadering te volgen, moeten streven naar het via onderhandelingen bereiken van consensus met Hermitage Café over een oplossing die recht zou doen aan de kenbare (commerciële) belangen van zowel de Stichting als Hermitage Café.

Met deze benadering kan men het enkel eens zijn. De uitspraak laat andermaal zien dat partijen in een contractuele relatie over en weer tot een constructieve, redelijke opstelling gehouden zijn. Dat geldt helemaal in een duurverhouding als de onderhavige, waarbij het kennelijk bij het aangaan van hun relatie de bedoeling van partijen is geweest dat zij bij moeilijkheden proberen er (zo nodig met behulp van een mediator) samen uit te komen. Als een star vasthouden aan een contractuele regel evident de gerechtvaardigde belangen van één der partijen zou schaden, is het primair aan partijen zelf om (naar redelijkheid) tot contractsaanpassing te komen; dit volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die (zie art. 6:2 lid 1 en 6:248 lid 1 BW) de contractsrelatie van partijen beheersen. De onderhavige uitspraak laat zien dat als partijen achterblijven ten opzichte van hetgeen van hen door het recht aan redelijkheid en billijkheid wordt geëist, diezelfde redelijkheid en billijkheid onverbiddelijk – ofwel dwingend en van rechtswege – datgene voor hen doorvoert, wat partijen hebben nagelaten uit zichzelf te doen. Soms zullen redelijkheid en billijkheid aanvullende verplichtingen aan partijen opleggen (art. 6:248 lid 1 BW); soms zullen de redelijkheid en billijkheid echter juist een beroep op overeengekomen verplichtingen illusoir kunnen maken (art. 6:248 lid 2 BW). In deze zaak was mijns inziens van beide werkingen van redelijkheid en billijkheid sprake: primair had de Stichting een uit de aanvullende redelijkheid en billijkheid voortspruitende (inspannings-)plicht om te goeder trouw te onderhandelen met Hermitage Café over een aanpassing van de afspraken. Toen de Stichting deze plicht echter schond door (in het licht van de kenbare belangen van Hermitage Café) onredelijke eisen te (gaan) stellen, sneed vervolgens de beperkende (werking van) redelijkheid en billijkheid de Stichting de pas af, door een beroep op de oorspronkelijke verplichting tot openstelling van het restaurant tijdens de avonduren te blokkeren. Aldus laat de uitspraak goed uitkomen dat de wederzijdse plicht van contractspartijen tot het betrachten van redelijk gedrag niet straffeloos kan worden verzaakt: wie dat toch doet, ondergraaft daarmee de eigen rechtspositie en versterkt die van zijn wederpartij.