Author Archives: psbakker1973

Iets over de verhouding tussen aanvullende en beperkende werking van redelijkheid en billijkheid

site4_20100924105514_1_rvrContracterende partijen zijn zelden in staat of bereid om voor alle mogelijke toekomstige situaties een contractuele voorziening te treffen. Daardoor kan het nogal eens voorkomen dat de door hen gesloten overeenkomst van begin af aan of vanaf zeker moment een leemte vertoont, die opvulling behoeft. Niet zelden is aanvulling van het contract door de wet en eventuele gewoonte niet voldoende om het contract tussen partijen “compleet” te maken. In dat geval ligt aanvulling op grond van noties van redelijkheid in de rede. In het Engelse recht spreekt men dan van een “term implied in fact”. Een dergelijk, in het contract “ingelezen” beding gaat uit van de veronderstelde redelijke partijwil, ofwel van de gedachte dat partijen mogen worden geacht niet alleen te zijn overeengekomen, hetgeen uit de bewoordingen van hun contract zou volgen, doch tevens mogen worden geacht als redelijke mensen al datgeen te hebben afgesproken dat noodzakelijk is voor een correcte uitvoering van hun overeenkomst. Het “inlezen” van een dergelijke, op redelijkheidsnoties gestoelde “implied term” in het contract moet naar Engels recht zo voor de hand liggend, redelijk en logisch zijn dat voldaan wordt aan de zogeheten “objective bystander test”, zoals deze werd geformuleerd in de bekende uitspraak van MacKinnon LJ in Shirlaw v Southern Foundries [1939] 2 KB 206:

“For my part, I think that there is a test that may be at least as useful as such generalities. If I may quote from an essay which I wrote some years ago, I then said: “Prima facie that which in any contract is left to be im-plied and need not be expressed is something so obvious that it goes without saying; so that, if, while the parties were making their bargain, an officious bystander were to suggest some express provision for it in their agreement, they would testily suppress him with a common ‘Oh, of course!’”

De figuur van de “implied term” resp. van de veronderstelde redelijke partijwil vindt men in verschillende varianten terug in vrijwel alle stelsels in de civil law. In Nederland kent men de aan contractsuitleg verwante aanvulling van contracten op grond van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW): een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Er zijn allerhande typen aanvullende verplichtingen te onderscheiden die hun grond vinden in de redelijkheid en billijkheid. Soms handelt het daarbij om een verbintenis, die bij niet-nakoming in wanprestatie resulteert, soms ook gaat het om een zogeheten obliegenheit, d.w.z. een ”zwakke” verplichting, die bij niet-nakoming leidt tot algeheel of gedeeltelijk rechtsverlies.

Het tweede lid van art. 6:248 BW ziet, als bekend, op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid en brengt mee dat een tussen partijen geldende (contractuele) regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Hoewel naar vaste rechtspraak het tweede lid van art. 6:248 BW met terughoudendheid moet worden toegepast en het eerste lid niet, bestaat tussen beide functies van redelijkheid en billijkheid geen principieel verschil; beide uitingsvormen van deze norm zijn van dwingend recht en vormen een uitwerking van de in art. 6:2 lid 1 BW verankerde kerngedachte van het verbintenissenrecht, die inhoudt dat partijen bij een verbintenis niet enkel oog dienen te hebben voor de eigen belangen, maar mede de gerechtvaardigde belangen en verwachtingen van hun wederpartij in het vizier dienen te houden. Het gaat hier dus om twee zijden van één en dezelfde sociaal-ethische grondnorm. Over het dwingendrechtelijke karakter van de redelijkheid en billijkheid meer in een volgend blogbericht.

 

Haviltexen tussen ex-echtelieden: (g)een haalbare kaart?

downloadEind vorig jaar wees de Hoge Raad een arrest (HR 13 november 2015, NJ 2015/467) over uitleg van een echtscheidingsconvenant, dat een (korte) bespreking in dit blog waard is. Waar ging het om in deze zaak? Verzoeker tot cassatie (de man) en verweerster in cassatie (de vrouw) treden in 1989 met elkaar in het huwelijk. Na een twintigtal huwelijksjaren wordt hun echtverbintenis na daartoe strekkend verzoek ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Vervolgens moet het huwelijk vermogensrechtelijk worden afgewikkeld. Daartoe stellen de gewezen echtelieden in 2010 een echtscheidingsconvenant op. Volgens vaste rechtspraak dienen dergelijke convenanten met inachtneming van de Haviltex-maatstaf te worden uitgelegd (zie onder meer HR 5 maart 2004, NJ 2005/494). In het echtscheidingsconvenant wordt tussen partijen vastgelegd dat de certificaten van de aandelen in een vennootschap (de FazandtGroep), die een onderdeel vormen van de (beperkte) gemeenschap van goederen, aan de man worden toegescheiden. In de onderhavige procedure verzoekt de vrouw onder meer verdeling van de beperkte gemeenschap. De rechtbank beslist dat de certificaten van de aandelen in de FazandtGroep aan de man toekomen en dat hij vanwege overbedeling een zeker bedrag aan de vrouw moet betalen.  De kwestie die partijen verdeeld houdt betreft een mogelijke aanmerkelijk belang claim (hierna: AB claim) en de wijze waarop deze claim zich tot de waarde van de aan de man toebedeelde certificaten verhoudt. De litigieuze bepaling in het convenant luidt:

“De door V. (de vrouw, PSB) in FazandtGroep gehouden certificaten worden overgedragen (en dus geleverd) aan Z. (de man, PSB). Een eventuele AB claim komt voor rekening van Z.”

De man leidt uit de door partijen in het convenant neergelegde bewoordingen af dat genoemde AB claim niet al in de prijs van de aandelen is meegenomen. Volgens de vrouw zijn partijen daarentegen overeengekomen dat de AB claim van € 650.000,- al in de prijs van de aandelen is verdisconteerd en dat een eventuele AB claim voor rekening van de man behoort te komen. Het Hof oordeelt vervolgens, nogal verrassend, dat in dit geval de Haviltex-norm toepassing mist:

“Waar partijen het niet eens zijn over de betekenis van de tekst van de overeenkomst dient het hof deze te interpreteren. Het zogeheten Haviltex-criterium biedt hier geen uitkomst, nu partijen haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen op deze tekst baseren en geen van beider interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is.”

Minder verrassend is dat dit oordeel in cassatie sneuvelt. De Hoge Raad:

“De uitleg van de overeenkomst van 23 maart 2010 dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. (…) Anders dan het hof heeft overwogen, is de Haviltexmaatstaf ook van toepassing indien partijen op de tekst van de overeenkomst haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beider interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is.”

Met dit oordeel kan men het alleen maar eens zijn. Zoals A-G Keus in zijn conclusie voor dit arrest opmerkt, dient de rechter “(o)ok — of zelfs: juist — in zo’n geval (dat overigens bepaald niet uitzonderlijk is) (…) aan de hand van het Haviltex-criterium te bepalen welke uitleg hij het meest aannemelijk acht.” Je zou zelfs kunnen zeggen dat de Haviltex-norm voor dit soort situaties van conflict en strijd juist (primair) geschreven lijkt te zijn. De praktijk laat immers zien dat partijen geregeld (en in echtscheidingsgerelateerde disputen zelfs dikwijls) hardnekkig met elkaar van mening verschillen over de vraag wat partijen ten tijde van contractssluiting met de tekst van een door hen overeengekomen beding voor ogen stond en over de vraag hoe deze tekst dient te worden begrepen. Juist door haar verwijzing naar de redelijkheid en de omstandigheden van het geval is de Haviltex-norm de ideale maatstaf voor de rechter om zich, al objectiverend, los te maken van het strijdgewoel van partijen en alsnog tot een op redelijkheidszin en contextualiteit geënte en voor partijen (dus) acceptabele uitleg te komen. De Haviltex-norm zou denkelijk veel van haar toegevoegde waarde verliezen indien zij (juist) in dit soort – verre van atypische – situaties buiten werking zou worden gesteld.

Ceci n’est pas un contrat de mission…

MagrittePipe

In het vorige blogbericht behandelden wij de situatie dat de rechter bij de uitleg van een contract soms genoopt wordt voorbij te gaan aan door partijen aangedragen context, om reden dat (normatieve waardering daarvan uitwijst dat) de aldus aangedragen context niet in een “sinngebende Beziehung” tot het contract blijkt te staan. In zo’n geval zal de rechter het bij zijn uitleg met de tekst van het contract “moeten doen”. Het omgekeerde is echter ook mogelijk en daarover handelt dit blogbericht. In sommige gevallen zal normatieve waardering van de context rondom een contract de rechter juist tot de slotsom moeten voeren dat de context rondom dat contract zodanig relevant is, dat deze de tekst van het betreffende contract als het ware “verdringt”. Een treffend voorbeeld daarvan vormt een arrest van de Hoge Raad van enige jaren geleden (HR 2 september 2011, NJ 2012/75) omtrent een geschil tussen een aantal dierenartsen, die in de loop van de tijd met elkaar op basis van op verschillende momenten gesloten afzonderlijke overeenkomsten (van opdracht dan wel sui generis) tot onderlinge samenwerking waren gekomen. De feitelijk tussen deze artsen bestaande samenwerking werd door het Hof aan een normatieve waardering onderworpen, welke het Hof tot de conclusie bracht dat partijen zich stilzwijgend hadden verbonden als vennoten in maatschapsverband samen te werken:

“In het bijzonder heeft het hof (…) verschillende verklaringen en gedragingen van partijen in aanmerking genomen en is het nagegaan wat partijen over en weer uit deze verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden, zonder daarbij een of meer specifieke momenten aan te wijzen waarop enige betrokkene zich welbewust als vennoot jegens enige andere betrokkene heeft opgesteld. Gelet op deze beoordeling, ligt in het oordeel dat de tussen partijen op 1 januari 2000 bestaande situatie getypeerd dient te worden als een maatschap (…), besloten het oordeel dat partijen zich jegens elkaar (stilzwijgend) hadden verbonden als vennoten in maatschapsverband samen te werken.”

Het tegen dit oordeel gerichte cassatiemiddel klaagde dat de rechtszekerheid zich verzet tegen een dergelijke door het Hof aangenomen “geruisloze vervanging” van aanvankelijk bestaande, afzonderlijke rechtsverhoudingen van opdracht (althans sui generis) door een overeenkomst van maatschap. De Hoge Raad overwoog:

“Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen de — juiste — wijze waarop het hof heeft beoordeeld of tussen partijen op enig moment voorafgaand aan 1 januari 2000 (stilzwijgend) een overeenkomst van maatschap is tot stand gekomen, behoefde de omstandigheid dat Gehem, Fuchs, LvdE, Vink, en later ook Van der Krap, mogelijk eerst (via hun B.V.’s) op basis van afzonderlijke overeenkomsten bij DAP-PFvdE werkzaam zijn geweest, het hof niet van zijn bestreden oordeel te weerhouden. Nu niet vaststaat om wat voor overeenkomst(en) het gaat — naar de stellingen van VDE c.s. betreft het langjarige overeenkomsten van opdracht althans ‘overeenkomsten sui generis’ — kan niet worden gezegd dat de rechtszekerheid zich in de onderlinge verhouding tussen partijen verzet tegen de stilzwijgende totstandkoming van een overeenkomst van maatschap. (…)

Aantekening verdient nog dat, gesteld dat zou moeten worden aangenomen dat tussen enkele van de betrokken partijen aanvankelijk afzonderlijke overeenkomsten van opdracht bestonden, die omstandigheid op zichzelf niet eraan in de weg staat dat de rechtsverhouding tussen partijen verandert zonder dat tussen hen een specifiek daarop gerichte overeenkomst is gesloten. De belangrijke verschillen die tussen na te noemen overeenkomsten bestaan, brengen echter mee dat de motivering van het oordeel van de rechter dat de rechtsverhouding tussen partijen zich heeft ontwikkeld van een overeenkomst van opdracht in een overeenkomst van maatschap, aan hoge eisen moet voldoen. De door het hof aan zijn oordeel gegeven motivering voldoet aan deze eisen.”

Deze uitspraak maakt eens te meer duidelijk dat het in ogenschouw nemen (en normatief waarderen) van de context rondom een schriftelijk contract in gevallen als deze onontbeerlijk is om verantwoorde uitspraken te kunnen doen over de rechtsverhouding tussen de contractanten. Wat op het eerste gezicht (afgaand op enkel de bewoordingen van het schriftelijk contract) een rechtsverhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer lijkt te zijn, kan bij nader inzien blijken te zijn geëvolueerd tot een rechtsverhouding tussen maten. Tegelijk geldt dat een rechterlijk oordeel waarin een dergelijke “geruisloze vervanging” van aanvankelijk bestaande, afzonderlijke rechtsverhoudingen door een overeenkomst van maatschap wordt geconstateerd, voor wat betreft de motivering ervan aan hoge eisen moet voldoen. Dit is ook logisch: de rechter spreekt recht namens de (rechts-)gemeenschap. Hij heeft daarbij echter geen vrijbrief, maar moet voor zijn oordeel verantwoording aan die gemeenschap afleggen door middel van een rechterlijke uitspraak, waarin een voor de gemeenschap acceptabele en navolgbare redenering te vinden is. Juist in atypische gevallen, waarin schriftelijk contract en juridische werkelijkheid niet (langer) op elkaar aansluiten maar sterk uiteen zijn gaan lopen, moet een dergelijk oordeel ook acceptabel en navolgbaar zijn voor de (contracts- en) procespartijen zelf, die immers van die gemeenschap evengoed deel uitmaken. Een goede rechter maakt daarom als een ware “Vermittler” (aan zowel (rechts-)gemeenschap als aan procespartijen duidelijk waarom hij het overeengekomene in de door hem aangeduide zin heeft geëxpliceerd. In de woorden van de Duits rechtsdogmaticus Rolf Gröschner:

“(E)in wirklicher “Vermittler” im hermeneutischen und dialogischen Sinn dieses Wortes wird nur derjenige Richter werden, der die streitige Sache so in die Sprache des Rechts zu übersetzen und den Parteien so zu vermitteln vermag, daß die Kontrahenten diese Übersetzung folgen und die entsprechende juristische Interpretation verstehen können.“

De onmogelijkheid van een (zuiver) taalkundige uitleg

Will-the-Internet-Make-Grammar-Obsolete

In mijn vorige blogbericht besprak ik de noodzaak van de rechter tot schifting – bij de uitleg van een contract – tussen rechtens relevante en niet-relevante context. Zowel de Engelse als de Nederlandse rechter vindt die mogelijkheid tot schifting in de maatstaf van de redelijkheid.

Ook bij onze oosterburen geldt dat alleen die context door de rechter bij de uitleg van een contract pleegt te worden betrokken die (vanuit het gezichtspunt van een redelijk persoon met de achtergrondkennis van partijen; zie bijv. BGH, Urteil vom 16. Oktober 2012, Az. X ZR 37/12 onder 18) in een betekenisvolle betrekking staat tot het contract. Niet elk contextueel gegeven staat echter steeds in een betekenisvolle betrekking tot een contract. De praktijk leert dat wat in het ene geval (vanuit een redelijk oogpunt) een belangwekkend contextueel gegeven kan zijn, dat niet per se ook in een ander geval hoeft te zijn: de relevante context rondom de aankoop van een tweedehands spijkerbroek is bijvoorbeeld een andere dan die rondom een DBFMO contract tussen professionele partijen. In sommige gevallen zal hantering van genoemde redelijkheidsmaatstaf de rechter zelfs tot de slotsom moeten voeren dat de door partijen in het processuele debat aangedragen context geheel en al relevantie ontbeert en ter zijde moet worden gesteld. Wat dan logischerwijs voor de uitleg overblijft is de tekst van het contract zelf. In HR 20 januari 2012, NJ 2012/260 werd een dergelijke tekstuele uitleg door de Hoge Raad (m.i. niet erg gelukkig) als “taalkundig” aangemerkt:

“3.5.1 De onderdelen 3.1 en 3.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij hebben als gemeenschappelijke noemer dat het hof slechts lippendienst heeft bewezen aan de Haviltex-maatstaf en in feite de woorden “[eiser] (…) en/of zijn echtgenote [verweerster]” uitsluitend taalkundig heeft uitgelegd, hetgeen in een geval als dit niet is toegestaan.

3.5.2 De onderdelen falen. Zij zien eraan voorbij dat het hof de betekenis van genoemde woorden ten slotte weliswaar heeft vastgesteld door middel van taalkundige uitleg, maar niet dan nadat het hof tot het oordeel was gekomen dat er geen andere voor toepassing van de Haviltex-maatstaf relevante feiten of omstandigheden waren gebleken die aan zodanige wijze van uitleg in de weg stonden.”

Reeds een enkele blik op het klassieke Haviltex-arrest (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635) maakt echter duidelijk dat ook een dergelijke tekstuele uitleg nooit (louter) taalkundig kan of mag zijn:

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld (…) kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract.”

Aan de overkant van de Noordzee is dat niet anders, getuige de woorden van Lord Hoffmann in Investors Compensation Scheme Ltd v West Bromwich Building Society [1997] UKHL 28:

“The meaning which a document (…) would convey to a reasonable man is not the same thing as the meaning of its words. The meaning of words is a matter of dictionaries and grammars; the meaning of the document is what the parties using those words (…) would reasonably have been understood to mean.”

Dit is ook logisch: rechterlijke uitleg van een contract(sterm of –beding) is geen bloedeloze exercitie met (enkel) woordenboeken en grammaticaregels, maar een bij uitstek normatieve bezigheid: ook wanneer de door partijen in het processuele debat aangedragen context in een voorkomend geval relevantie ontbeert en om die reden de rechter het met enkel de tekst van een contract “moet doen”, geldt (onverkort) de eis van een redelijke uitleg, waarbij onder meer acht moet worden geslagen op de belangen van partijen (vgl. art. 3:12 BW), de aannemelijkheid en redelijkheid van de rechtsgevolgen, de aard en systematiek van het contract en de strekking van de daarin opgenomen contractsbepalingen. Ook in zo’n geval blijft de kardinale vraag die de rechter moet beantwoorden: wat betekent deze contractsterm of -clausule in het licht van de gerechtvaardigde belangen en verwachtingen van deze partijen, die in deze rechtsstrijd met elkaar verwikkeld zijn?

“Reasonable expectations of honest men”

In 2005 opende Jac Rinkes zijn inaugurele rede met een citaat van Lord Steyn in de zaak First Energy v Hungarian International Bank ([1993] 2 Lloyd’s Rep 194):

“A theme that runs through our law of contract is that the reasonable expectations of honest men must be protected. It is not a rule or a principle of law. It is the objective which has been and still is the principal moulding force of our law of contract. It affords no licence to a Judge to depart from binding precedent. On the other hand, if the prima facie solution to a problem runs counter to the reasonable expectations of honest men, this criterion sometimes requires a rigorous re-examination of the problem to ascertain whether the law does indeed compel demonstrable unfairness.”

De Nederlandse jurist die bekend is met het befaamde arrest Baris/Riezenkamp (HR 15 november 1957, NJ 1958/67), dat inmiddels al bijna 60 jaar meegaat, zal dit aangenaam vertrouwd in de oren klinken. Sinds jaar en dag (zie bijv. HR 5 januari 2001, NJ 2001/79 (Nethou/Multi Vastgoed), HR 12 augustus 2005, NJ 2005/467 (CBB/JPO) en HR 19 oktober 2007, NJ 2007/565 (Vodafone/ETC) wordt in de Kazernestraat immers verkondigd dat contractspartijen “hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij”, welke eis, naar mag worden aangenomen, mede omvat de verplichting van partijen om rekening met elkaars redelijke of gerechtvaardigde verwachtingen te houden (zie bijv.  Nieuwenhuis, WPNR 6304 (1998), p. 157, die over het contractenrecht treffend spreekt als een “woud van verwachting”).

Aldus bezien liggen het Engelse en Nederlandse contractenrecht, in elk geval voor wat betreft hun normatief-ethisch gehalte, opvallend dicht bij elkaar. Ook als het gaat om de tradities in beide landen inzake contractsuitleg valt dat op: in beide jurisdicties wordt een op redelijkheidszin en contextualiteit geënte uitlegmaatstaf gehanteerd. Vgl. de woorden van Lord Hoffmann in Investors Compensation Scheme v. West Bromwich Building Society [1997] UKHL 28; [1998] 1 All ER 98; [1998] 1 WLR 896 (19th June, 1997 over de bij contractsuitleg te betrekken context rondom het contract:

“Subject to the requirement that it should have been reasonably available to the parties (…), it includes absolutely anything which would have affected the way in which the language of the document would have been understood by a reasonable man. (curs. PSB)”

met het arrest DSM/Fox (HR 20 februari 2004, NJ 2005/493), waarin onze eigen Hoge Raad overwoog

“dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. (curs. PSB)”

De verwijzing in beide citaten naar de omstandigheden rondom het contract vormt een illustratie van de onder meer uit de klassieke hermeneutiek bekende gedachte dat een zinvolle betekenis pas aan een tekst kan worden gegeven, indien deze wordt geïnterpreteerd in het licht van de context rondom die tekst. In de bekende woorden van Stanley Fish:

“A sentence is never not in a context. We are never not in a situation. A statute is never not read in the light of some purpose. A set of interpretive assumptions is al-ways in force. A sentence that seems to need no interpretation is already the product of one.”

De gebruikte woorden “absolutely anything” en “alle omstandigheden” verwijzen naar het gegeven dat context conceptueel oneindig is: “Meaning is context-bound, but context is boundless”. Conceptuele oneindigheid van context maakt echter een in beginsel eindeloos aantal duidingen van een contract mogelijk: een schifting tussen rechtens relevante en niet-relevante context is daarom altijd noodzakelijk. Zowel de Engelse als de Nederlandse rechter vindt die mogelijkheid tot schifting in de maatstaf van de redelijkheid: alleen die context is (rechtens) relevant te achten, die ook voor een redelijk uitlegger relevant is c.q. (waarvan men mag aannemen dat) die invloed zou uitoefenen op de wijze waarop een redelijk uitlegger de contractstekst zou begrijpen. De maatstaf van de redelijkheid helpt de rechter dus een onderscheid aan te brengen tussen (rechtens) relevante en niet-relevante context rondom een contract. Daarover meer in een volgend blogbericht.

Welkom op mijn blog!

cropped-sjoerd-003-1-1.jpgLectori salutem! Welkom op dit nieuwe juridische blog www.haviltexen.nl. Mijn naam is Sjoerd Bakker, in het dagelijks leven schrijvend en praktiserend jurist. Dit blog zal gewijd zijn aan juridische uitleg, ook wel juridische hermeneutiek (Grieks: ἑρμήνευειν; ‘uitleggen’, ‘vertalen’) genoemd.

De hermeneutiek onderzoekt de voorwaarden waaronder het verstaan (“Verstehen”) van (de betekenis van) menselijke uitingen mogelijk is. Wie even de tijd neemt om erover na te denken, zal zich realiseren dat ieder mens eigenlijk elke dag doorlopend bezig is met hermeneutiek, ofwel de hele dag door aan het “verstehen”, aan het interpreteren is. Het voeren van een gesprek, het bijvullen van het koffie-apparaat, het bekijken van de kindertekening van je driejarige dochter of het (tevergeefs proberen te) doorgronden van de handleiding van de zojuist gekochte IKEA-kast; om deze handelingen te kunnen uitvoeren is begrip nodig, dat alleen verkregen kan worden middels het doorlopen van een (gelukkig vaak ongemerkt) interpretatieproces. Ook juristen houden zich van oudsher al bezig met uitleg en interpretatieprocessen. Over die juridische interpretatieprocessen zal dit blog in hoofdzaak gaan.

Juridische uitleg kan, grofweg, worden onderverdeeld in wetsuitleg, uitleg van gedingstukken en contractsuitleg. “Haviltexen” (vandaar de naam www.haviltexen.nl) is de inmiddels gevleugelde (zij het enigszins misleidende) uitdrukking waarmee juristen tegenwoordig dikwijls het fenomeen van contractsuitleg aanduiden. De term verwijst, zoals bekend, naar het befaamde Haviltex-arrrest uit 1981 (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635), waarin de Hoge Raad duidelijk maakte dat “(d)e vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, (…) niet (kan) worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract.” In dit arrest formuleerde de Hoge Raad de inmiddels overbekende over-en-weer formule, luidende: “Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

In dit blog zal, mede op basis van actuele rechtspraak en opvattingen in de literatuur, ruim aandacht aan contractsuitleg worden gegeven, maar ook vele andere aspecten van de juridische hermeneutiek zullen wat mij betreft ruim aandacht krijgen. Beste lezers, ik hoop dat u plezier zult beleven aan mijn bijdragen aan dit blog en dat u zelf ruimschoots de gelegenheid te baat neemt uw eigen opvattingen en meningen over de aan de orde te stellen uitlegkwesties op dit blog te ventileren. Om het met Herman Schoordijk te zeggen; “Laten we het niet onnodig met elkaar eens zijn!”.